naar top
Menu
Logo Print

TECHNISCHE STUDIES IN DE LIFT?

Cees Buisman (Wetsus) en Pieter Duisenberg (VVD) geven hun visie vanuit werkveld en overheid

De afgelopen jaren is er vanuit de overheid behoorlijk geïnvesteerd in het promoten van technische studies onder jongeren. Maar is het voldoende? Zijn de genomen maatregelen effectief genoeg en worden de juiste doelgroepen aangesproken? Zowel Pieter Duisenberg (VVD) als Cees Buisman (Wetsus) geeft zijn visie vanuit respectievelijk de overheid en het werkveld.


BELANGRIJKE ROL VOOR TECHNICI

Het is al langer bekend dat een tekort aan technici dreigt in de (nabije) toekomst. Om die reden zijn er de afgelopen jaren diverse initiatieven ontwikkeld vanuit zowel het onderwijs, de overheid als het bedrijfsleven om jongeren enthousiast te maken voor techniek. Met wisselend succes.


Pieter Duisenberg
(Tweede Kamerlid voor de VVD) is enthousiast over de maatregelen die de overheid de afgelopen jaren heeft genomen en de plannen die onder andere bij zijn eigen partij worden ontwikkeld: “Ik weet als geen ander hoe belangrijk techniek is. Vanuit mijn studie macro-economie en loopbaan in het bedrijfsleven (Shell, McKinsey en Eneco, met een focus op duurzaamheid en financiën) weet ik hoe belangrijk technici zijn, welke rol zij in de maatschappij vervullen en over welke competenties zij moeten beschikken om de oplossingen te realiseren die de klant wil. Als je bijvoorbeeld tegenwoordig een goede installateur wil zijn, moet je een halve ICT-specialist zijn om iets te kunnen doen met de opkomende smart grids en ontwikkelingen op het vlak van domotica. Het opleiden van deze mensen, zowel jonge mensen die nog een keuze moeten maken áls de mensen die al werkzaam zijn, is dus van cruciaal belang!"


MAATREGELEN

Helaas gebeurt dat nog steeds te weinig, en dat ziet Duisenberg als een serieus probleem. “Het onderwijs in Nederland heeft internationaal gezien een hoog aanzien, maar Nederland is daarbij te beschouwen als een hoogvlakte zonder pieken. Dat zie ik graag anders, het liefst heb ik 17 miljoen pieken. Daarmee bedoel ik dat iedereen de mogelijkheid heeft om maximaal zijn vleugels uit te slaan op het vlak dat hem of haar het meeste aanspreekt of het beste ligt. Daarbij zou het echter goed zijn dat méér mensen een technische studie volgen, en dús moeten jongeren beter worden voorgelicht over de mogelijkheden die een technische studie biedt. Het motiveren van deze mensen begint al op de basisschool."


Cees Buisman, wetenschappelijk directeur van Wetsus en hoogleraar biologische kringlooptechnologie aan de Universiteit van Wageningen is het daar volledig mee eens. 
“Het begint inderdaad in het basisonderwijs, maar daar zie ik de keuze vooral ontmoedigd worden", geeft hij aan. “Even zwart-wit gezegd is het grootste deel van de onderwijzers vrouwelijk en zonder enige interesse in techniek. Hiermee maak je al nauwelijks iemand enthousiast voor de bètarichting. Wat dat betreft, zou ik graag hebben dat de overheid meer zou investeren in meer mannen in het basisonderwijs dan in meer vrouwen als hoogleraar. 
Vervolgens gaat het in het MBO en HBO eigenlijk ook mis. Onder meer door het elimineren van begrippen zoals HTS en MTS. Het waren begrippen die vroeger een hoog aanzien hadden, maar nu ze zijn opgegaan in de grote gemeenschap van MBO en HBO, is de status van technische opleiding ook grotendeels verdwenen. Dat is dus een tweede verzoek aan de overheid: herinvoering van het woord techniek in de betreffende opleidingen. Bij de TU's heb je dat probleem dus minder, maar daar komen we weer tot het bijzondere fenomeen dat er onlangs een numerus fixus op een technische studie is gezet."


VERDELING FINANCIELE MIDDELEN
 

Hier is Duisenberg het roerend met hem eens: “Enerzijds is het een goed teken omdat deze numerus fixus aangeeft dat het aantal studenten in technische opleidingen groeit."

Buisman knikt bevestigend: “Als je tien jaar geleden het aantal studenten had genoemd dat nu in Wageningen studeert, had niemand het geloofd. Toch is het zo."


Duisenberg meent dat deze groei onder meer samenhangt met initiatieven als het Techniekpact, het platform bètatechniek en de moeite die wordt gedaan om het vroegtijdig uitvallen van studenten te voorkomen. “Ondanks de positieve richting qua aantallen studenten die deze numerus fixus aangeeft, is het beperken van techniekstudenten natuurlijk het laatste wat we nodig hebben. We moeten het daarom óók beschouwen als concreet signaal dat de financiële middelen voor het onderwijs op dit moment verkeerd verdeeld zijn."

Duisenberg doelt onder meer op het feit dat Nederland evenveel investeert in geesteswetenschappen als Duitsland dat doet, terwijl Duitsland zesmaal zo groot is. “Deze verhouding klopt niet", geeft hij aan. “We moeten meer investeren in studies die mensen opleiden die we hard nodig hebben en het aantal plaatsen beperken bij studies waarin later niet zoveel werkgelegenheid is. Kortom, we moeten vraag en aanbod veel beter op elkaar afstemmen. Dat technische studies hierin een belangrijke rol spelen, heeft te maken met de vraag waar we met Nederland naartoe willen. Wat mij betreft ligt een belangrijk deel van de toekomst van Nederland in technische innovaties. Denk hierbij aan nanotechnologie, medische techniek, robotica enzovoorts. Dus investeren in technisch onderwijs. Dat doe je overigens niet alleen voor het land, maar ook voor de mensen zelf. Iedereen die gaat studeren wil uiteindelijk toch een baan vinden waardoor hij in zijn eigen onderhoud kan voorzien? Dat kan alleen wanneer mensen een opleiding volgen waarmee ze vervolgens zicht hebben op werk."

“Een oorzaak waarom nog steeds te weinig jongeren voor techniek kiezen, is het feit dat veel van hen weinig zicht hebben op hun arbeidsmarktperspectieven. Nog steeds zie je massa's jongeren kiezen voor administratieve opleidingen terwijl het aantal functies op dat vlak juist afneemt door toenemende automatisering. Om hen bewust te maken van de consequenties die de keuze voor een bepaalde opleiding heeft, is het sinds kort verplicht om in de schoolgids per opleiding aan te geven wat het arbeidsmarktperspectief is.

Technische studies scoren hier over het algemeen hoog, waardoor het voor jongeren aantrekkelijker wordt hieruit een keuze te maken." (zie figuur 1)


NOG MEER JONGEREN IN DE TECHNIEK!

Buisman kan absoluut waarderen welke stappen de overheid zet om meer jongeren te enthousiasmeren voor techniek, maar denkt dat er op bepaalde vlakken ook wel meer rendement mogelijk is. “Globaal gezien is een derde van de bevolking puur technisch, een derde is absoluut niet technisch en dan heb je nog een deel dat allebei kan. In dat laatste deel is winst te boeken. Techneuten kiezen namelijk toch wel een bètastudie, niet-techneuten zeker niet, maar die zwevende kiezers, die kun je nog sturen door te 'bewijzen' dat techniek gewoon leuk en superinteressant is. Wat me dus uitermate verbaast, is dat bij een platform als bètatechniek praktisch geen enkele bèta werkt. En ook op de ministeries zou het aantal technici dikker bezaaid kunnen zijn. We hebben tegenwoordig een kwantum op vrouwen, waarom niet ook op technici. Iets met 'het goede voorbeeld geven?'"

“Tot slot pleit ik er ook voor om in al deze discussies het grotere geheel niet uit het oog te verliezen. Alléén maar gaan voor meer technici is geen oplossing. We hebben bijvoorbeeld ook mensen in de zorg nodig en mensen die onze toekomstige problemen met het tekort aan water moeten aanpakken. Een tunnelvisie waarbij alléén gefocust wordt op techniek lijkt me niet verstandig. Dus inderdaad: vraag en aanbod op elkaar afstemmen."